Geschiedenis Dapperbuurt

Huisvestingsactivisme in de Dapperbuurt

Eind jaren ’70 werden plannen gemaakt om de verouderde 19de eeuwse wijken op te knappen. Voor de Daperbuurt stond volledige sloop en nieuwbouw op de agenda.

 

In 1971 zag plan Duyff licht. De hele wijk zou tegen de vlakte gaan en vervangen worden door stroken gebouwde flats met tussenliggend groen. Het bestaande stratenpatroon zou geheel verdwijnen met slechts de helft van het aantal woningen. De Roomtuintjes, in de noordoostelijke hoek van de Dapperbuurt zijn een goed voorbeeld van dit futuristisch vernieuwingsplan naar modernistisch ideaal. Het zal tevens de laatste fase ‘licht, lucht en ruim’ inluiden- een tuinstad-achtig geheel met middelhoogbouwflats, voor het protest te groot werd.

De bewoners, het was een typische arbeiderswijk, werden geacht bijna allemaal naar elders te trekken, de gemeente wilde een einde maken aan de concentratie van lagere inkomens in de wijk.

Verenigd in het Actiecomité De Sterke Arm kwamen de bewoners van de Dapperbuurt daartegen in opstand. Na enkele jaren van felle acties ging de gemeente overstag. In 1973 erkende de gemeente de actiegroep als gesprekspartner. De rest van de Dapperbuurt zou de rooilijn gaan volgen.

Er wordt met de verbouwingen niet langer volledig opnieuw begonnen, maar van de zittende huurders als uitgangspunt vertrokken. Daarmee werd de Dapperbuurt de bakermat van het zogeheten Bouwen voor de Buurt.

In de Dapperbuurt is uiteindelijk toch de helft van de oude panden gesneuveld omdat het verval van deze eind 19de eeuwse revolutiebouwwijk te ver was voortgeschreden.

 

Bouwen voor de Dapperbuurt

In de politieke strijd die begin jaren ‘70 om de Dapperbuurt wordt gevoerd staat aan de ene kant de dienst Stadsontwikkeling, die volgens het plan Duyff alles in een keer wil slopen en daarna wil bouwen voor andere inkomensgroepen van buiten de buurt. Daartegenover staan de buurtbewoners, aangevoerd door actiegroep De Sterke Arm, die zoveel mogelijk betaalbare woningen wil behouden en repareren ten behoeve van de zittende bewoners.

Uiteindelijk besluit men stap voor stap te gaan vernieuwen, te beginnen met het bouwen op de plaats van de reeds gesloopte panden en verdergaand met het vervangen van de slechtste panden. Er was een zo hoog mogelijk aantal bewoonde woningen waardoor tevens minder beroep werd gedaan op herhuisvestingscapaciteit elders in de stad.

Deze ’gefaseerde vernieuwing’ met bijhorend doorschuifsysteem van aan elkaar gekoppelde opvolgprojecten was belangrijk voor het behoud van de sociale infrastructuur en het overleven van de scholen, de markt en winkels en niet in het minst voor het uitoefenen van druk op de stedelijke politiek.

 

Niet alleen in de buurten speelde zich felle strijd af, ook binnen het stadhuis werden beide kampen vertegenwoordigd. De controverses tussen de afdeling Stadsontwikkeling van Publieke Werken en de Dienst Volkshuisvesting werden steeds scherper. De stadsontwikkelaars ijverden voor woningdifferentiatie. Hun normen gingen uit van een evenwichtige bevolkingsopbouw met een centrale plaats voor gezinnen. De volkshuisvesters gingen uit van stadsvlucht ten behoeve van eengezinswoningen elders.